woensdag 17 april 2013

Demonen

Demonen slapen niet
Zij rijden mee en
Sluimeren op de achterbank.
 
En vlot het niet, worden zij wild
en roepen, schelden op de rest
daarbuiten die het niet begrijpt
niet mee wil in het mooi verhaal,
De boel verpest.
 
Een rood licht doet je stoppen
en ongewild tot staan gebracht
in leegloop, niet op toeren
doe je maar niks en wacht,
Alleen de batterij laadt op.
 
Met stille kracht vol weemoed, en
een knipoog van het licht op groen
krijg je een duwtje in de rug
een flinke schop vooruit,
Want toch wil je niet terug.
 
Demonen slapen niet
Zij rijden mee en
Zwijgen op de achterbank.

maandag 15 april 2013

De Weg


Hij is er altijd al geweest
Discreet, vrijblijvend, onbewogen;
En altijd open, wacht hij op jouw,
Hij neemt je mee, vervoert je 
op en neer
En slingert je rusteloos
heen en weer.

Meestal alleen,
En onderweg
maar ook met twee
Of meer en velen
en soms te veel.

Dan ga je langs de kant
met volle teugen
Landschap drinken
en zit je neer,
De rug gekeerd.

De weg leunt op je hoofd
Het licht vult stil je ogen
Gevluchte wolken aaien je schoon
En ademen zacht je binnenste buiten:
Voldaan van top tot teen
Waarom nog verder gaan ?

Toch sta je op en uitgewaaid,
de veer weer opgedraaid
Wil je vooruit, verder op pad
Het einde is nog niet in zicht
Het doel altijd verborgen
Je loopt maar door, want verder wacht

De eeuwige nieuwsgierigheid.

zondag 7 april 2013

E17 - N16 - E19


autoweg E17 te GENT-CENTRUM
... en de SCHELDE

gewestweg N16 te MECHELEN-NOORD

autoweg E19 te MECHELEN-NOORD
... en de DIJLE

zaterdag 6 april 2013

Genesis



Als wind weer water wordt,
Verstilt de vloed tot land:


Met grond, te vondeling gelegd,
en glanzend in de avondzon

Ongerept nog, wacht hij op erkenning:

Voorzichtig schuiven mensen dichterbij,
hun voetafdruk in klei
brengt kiemen mee
en hoop op vruchten:

Volgend jaar in mei,
en later, voor altijd
metgezel en bondgenoot:

POLDER


vrijdag 5 april 2013

Regendag

Vogelvrij en lang geleden
Dwaalde ik in boetekleed
Langs grijze velden, groene wolken,
Maar vond niet wat er was verweven.

Het licht van boven, laag gevallen
Dronken, donker op de grond,
Opgestaan maar niet verheven
Dreef me zachtjes mee vooruit.

Transparant en niet te grijpen
Liepen oude geesten mee,
Samen verder naar de kroeg,
Uit de wind en uit de regen,

Zijn we toch te lang gebleven

donderdag 4 april 2013

De Stad

ANTWERPEN 

de Beukenlaan
staat vol met eiken,
de Kathedraal
wacht op een tweede toren,

sinds 1585
het Noorden heel verloren,
Calvijn laf meegevlucht
liet hier zijn wezen achter,

en ook het Scheldt
die valse zekerheid,
komt nu eens hoog
staat dan weer laag,
spoelt alles vrolijk weg
gedaan met het gezaag.


TRAM 24 

Waar gaat hij heen ?
-ach, het hoeft niet meer-
of toch, een laatste keer.

Elk einde is een nieuw begin,
na Silsburg, Schoonselhof,
heeft verder rijden toch geen zin. 

Ik neem hem mee:
een late gast, nog net op tijd
ontsnapt uit café Terminus;

Ik neem hem mee,
om wat hij achterliet,
want ’t Stad en ’t Leven wenken. 

De straten groeien langzaam dicht,
de huizen staan te dringen,
de mensen stappen op,
ik breng ze mee naar binnen. 

Het centrum is pas halfweg,
het gaat van “A” naar “Z”.

En tussen lijntjes blijven,
twee stalen groeven in de grond;
-ik zou zo graag ontsporen-
maar knarsetandend in de bochten,
gaat al mijn kracht verloren. 

Of toch,
ooit eens, één keer,
naar links of rechts,
neem ik de doden mee,
en keer ook ik nooit weer.